De Nederlandse Sportraad pleitte in 2020 al voor een sportwet. Die is er nog altijd niet. Raadslid Hugo van der Poel onderstreept het belang in onderstaande column.

Beeld: Nederlandse Sportraad

Een strikte interpretatie van een collectief goed is dat niemand zich kan onttrekken aan de werking van het goed, of men het nu steunt of niet. Denk aan onze dijken die ervoor zorgen dat iedereen droge voeten houdt bij hoog water.

Het is niet zo dat een collectief goed per se om overheidsingrijpen vraagt. Het blijft een politieke afweging of men er wel of niet in voorziet, en zo ja, in welke mate. IJsland heeft bijvoorbeeld geen leger en in Nederland is decennialang bezuinigd op het leger.

Daarnaast heb je verdienstelijke goederen. Daar kunnen mensen wel worden uitgesloten van de werking ervan. Zo is het denkbaar dat onderwijs en gezondheidszorg alleen beschikbaar zijn op de markt, voor mensen die ervoor kunnen en willen betalen.

Overheidsingrijpen bij goederen die de markt (ook) kan leveren is gerechtvaardigd als de markt om een of andere reden faalt. Dat is bijvoorbeeld het geval als mensen het voordeel van een bepaald goed, zoals onderwijs, niet juist kunnen inschatten, voordat ze de werking ervan hebben ondergaan. Een kind van vijf jaar kan het voordeel van schoolgaan niet inschatten en blijft liever spelen of tiktokken.

De markt kan ook falen door geen of onvoldoende rekening te houden met zogeheten externe effecten. Een goede gezondheid is niet alleen prettig voor het individu, maar ook voor het collectief. Een gezond mens draagt geen ziekten over aan andere mensen, kan werken of zorgen, kan belasting betalen en belast andere mensen niet met zorg voor hem of haar. 

Het is opvallend is dat  onze overheid veel meer belastinggeld besteedt aan de verdienstelijke goederen onderwijs en gezondheidszorg, dan aan de collectieve goederen defensie en dijken.

Als je naar de politiek kijkt, lijkt het uiteindelijk belangrijker dat een goed een beschermende werking heeft of een bepaalde waarde positief bevordert, dan of het een collectief goed dan wel een verdienstelijk goed is. Daarom kunnen we beter spreken van publieke goederen. Iets is een publiek goed als de overheid in het belang en ter bescherming van de burger dit goed bevordert, dan wel de negatieve effecten ervan bestrijdt.

De politiek behandelt sport en bewegen doorgaans als publiek goed. Er gaat belastinggeld naar toe en overheden stimuleren deelname aan sporten en bewegen. Tijdens de coronacrisis en de energiecrisis sprong de overheid in met tijdelijke subsidieregelingen om de sector overeind te houden.

Jammer genoeg ontbreekt nog steeds een wettelijke bescherming van sport als publiek goed. Dit wringt steeds meer met het publieke belang van sport en bewegen voor de bescherming van onze gezondheid en versterking van de sociale samenhang in onze samenleving. Ambtenaren op zoek naar bezuinigingsmogelijkheden beginnen steevast met tijdelijke en ‘bovenwettelijke’ taken en uitgaven, zoals preventie, sport en bewegen. Onlangs overwoog het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) hoger onderwijsinstellingen te verbieden studentensport te subsidiëren, omdat dit in strijd zou zijn met de Wet Markt en Overheid.

Een Wet Sport en Bewegen legt sport en bewegen definitief vast als een publiek goed. Daarmee maken we helder wie verantwoordelijk is voor de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van sport en bewegen. Zo beschermen we onze gezondheid en onze fysieke en mentale weerbaarheid. Waar wachten we nog op?

Dr. ir. Hugo van der Poel, lid Nederlandse Sportraad